Idool 1900
Volksliedjes en filmpjes uit de oude doos
Toeschouwers die kind aan huis zijn in cultuurcentra, zijn misschien niet de grootste aanhangers van het Idool-fenomeen, maar voor het muziekproject Idool 1900 maken ze toch best een uitzondering.
Bent u geboeid door Vlaamse folk of volksmuziek, door concerten waarin de traditie geactualiseerd wordt, en houdt u ook wel van grappige filmpjes over onze grootnonkels en –tantes? Dan moet u zeker komen kijken en luisteren naar het nieuwste project van accordeonist Wim Claeys. Hij brengt 3 (dialect)zangers uit 3 Vlaamse regio’s samen: niemand minder dan Walter De Buck voor Gent, Marc Hauman voor het Waasland, en Olle Geris voor Limburg. Zij brengen elk een goed doordachte selectie uit hun repertoire dat soms tot honderden jaren oud kan zijn. Maar het leuke aan het optreden is dat de vj van dienst ons laat genieten van talloze filmpjes uit de oude doos, die tonen hoe er vroeger muziek werd gemaakt, gedanst, gefeest en gezongen.
Wim Claeys is de man die u beter kent als accordeonist van Ambrozijn, Tref of Göze, en is verder ook de stichter van het Boombal. We ontmoetten hem ten huize van Walter De Buck, stadsgenoot en eminent volksmuzikant, kort voor de Idool 1900-repetitie start. Walter wacht ons op in zijn gezellige keuken-veranda, waar de klanken van radio Klara doorkruist worden door de stofzuiger van de poetsvrouw, waar je het gevoel hebt in een weelderig tuintje te zitten, ook al regent het buiten. Of hij ons een plezier kan doen met een potje thee? Jazeker. Later verschijnen ook de 2 andere instrumentalisten van de groep, Wouter Vandenabeele (viool) en Maarten Decombel (gitaar). Maar eerst hebben we een gesprek met Wim en Walter, over de folk vroeger en nu, over dialectzang. En nu Walter De Buck ruim in de CC’s zal toeren (al is het niet met zijn eigen groep, maar als deel van een groter geheel), nemen we de gelegenheid te baat nog eens te praten over zijn muzikale levenswerk.
Vertel eens hoe het idee voor het project Idool 1900 tot stand kwam?
Wim Claeys: “Het is een project dat volkszang in het dialect combineert met filmpjes uit de oude doos. We koppelen de inhoud van de liedjes aan de beelden. Wat vastligt, is het liedrepertoire. Elke zanger heeft 4 à 5 liederen voorgesteld die de instrumentalisten samen met hen inspelen en bewerken, en neemt zo elke een derde van de nummers voor zijn rekening. Onze vj beschikt over een gigantische beeldendatabank die hij op dynamische wijze inzet. Idool 1900 is eigenlijk een heel oud idee van mij, maar de drukte met Ambrozijn en later met Boombal, liet me niet toe het uit te werken. Mijn moto is: "een goed idee moogt ge niet laten wachten". Maar soms kunt ge niet anders. Maar van zodra ge het kunt realiseren, moet ge dat doen! Ik stapte met mijn idee ook naar MuziekMozaïek, het Vlaamse Steunpunt voor folk- en jazzmuziek. Zij wilden het ondersteunen, samen met een ander steunpunt, het Centrum voor Beeldexpressie, dat me hielp toegang te krijgen tot al die beeldarchieven.
Mijn andere droom was - al van sinds ik nog klein was – te kunnen samenwerken met Walter De Buck. Ik ben met zijn muziek opgegroeid, Walter kende me eigenlijk niet. Drie jaar geleden zijn we elkaar per toeval tegengekomen in een klein kasteeltje in de Ardennen, waar ik een Boombal organiseerde, en waar Walter en zijn vrouw Mia toevallig logeerden. Het werd een hele toffe ontmoeting, een ongelofelijk verrassende avond. Voor iedereen. Hij kwam daar in contact met het Gentse fenomeen van het jonge folkbal. Hij heeft er enkele nummers gezongen, doedelzak gespeeld… Walter is een 'folkie' in hart en nieren, maar echt van de generatie van de jaren ‘70, en had geen banden met ons. Het is pas sinds die avond dat we elkaar persoonlijk kennen.”
Jullie kozen als titel eerst voor Nonkel Folk, maar dat veranderde daarna in Idool 1900. Waarom?
Wim Claeys: “Blijkbaar sprak die titel de mensen niet aan, was die te oubollig. Ik vond nochtans dat hij de inhoudelijke lading goed dekte, want het gaat over de muziek van onze grootnonkels en -tantes. Bij de uiteindelijke titel kunnen mensen zich meer voorstellen waarover het gaat: de hitjes van toen.”
Hoe en waarom heb je de muzikanten gekozen?
Wim Claeys: “Gitarist Maarten Decombel en violist Wouter Vandenabeele liggen voor de hand omdat ik ze heel goed ken door samen te spelen bij Göze en bij Ambrozijn, omdat ze dichtst bij mij staan, en supergoede muzikanten zijn. De viool en de gitaar pasten ook prima bij de oude foto van de jaren 1900 die op onze poster komt en een groep muzikanten van toen voorstelt. Wat de zangers betreft: met Walter wou ik al zó lang samenwerken. De Limburgse Olle Geris ken ik als gastzangeres bij Göze. Ze zingt altijd in het Limburgs dialect. Ze heeft een prachtige stem, en brengt een heel authentiek repertoire: oude liedjes die bijna niemand nog zingt of kent. Marc Hauman (Waasland, Temse) koos ik ook omdat hij een heel authentiek repertoire brengt.”
Eigenlijk heb je je volledig gebaseerd op het repertoire van je 3 zangers. Ben je niet zelf archieven, bibliotheken en liedboeken gaan doorsnuffelen?
Wim Claeys: “Ik vind dat het repertoire vanuit de zangers moet komen. Ik wist dat ze met interessant werk zouden afkomen. En er zit inderdaad van alles in. Er zitten nummers in van 100 jaar oud, maar er zitten er nog veel oudere bij, ballades uit de oudste traditie. Walter zingt 2 eigen nummers, klassiekers in het folkgenre. Met hem kwam de keuze in wisselwerking tot stand. Olle brengt hele specifieke genres, zoals bijvoorbeeld erg plezant klinkende liedjes die eigenlijk oude, betekenisloze woordspelletjes zijn uit de weverstraditie. Het is de Vlaamse variant van de Schotse ‘mouth music’. Marc Hauman zingt meer in de traditie van Wannes Van de Velde, een traditioneel ‘levensloop’-lied uit het Waasland en een oorlogslied.
Hoe ruraler de streek, hoe ouder het repertoire. Sommige molenaarsliederen uit Olles streek zijn tot 600 jaar oud. Terwijl het Gentse volkse repertoire al veel meer de mode volgt en soms neigt naar het variété. Straatliedjes enten zich daar op o.a. de operette. In Temse is de volksmuziek dan weer erg verweven met de boten, het varen en de boelwerf.
De zangers treden als individuele zangers op. Zo hebben we ook gewerkt bij de voorbereiding. Elke instrumentalist kreeg één zanger toegewezen, waarmee hij het repertoire voorbereidt en bewerkt. In de week voor de première (18 december in CC De Ploter, Ternat), finaliseren we alles met de hele groep en de vj.”
Dit is de eerste keer dat je echt vanuit de traditionele zang werkt. Welke kennis heeft je dat bijgebracht?
Wim Claeys: “In de beginperiode van Ambrozijn zongen wij ook nummers uit de traditie, o.a. van Rum, de folk van de jaren ’70. Mijn latere groepen waren instrumentaal, en daar putten we uit het ruime Europese repertoire, aangevuld met eigen werk. Ik had al heel lang goesting om iets met de zangtraditie te doen. De traditie is op zich niet nieuw voor me, omdat ik weet heb van al die archieven, en van alles wat er bestaat. Dat wordt echter pas relevant als je beslist om dat repertoire vandaag uit te voeren, een repertoirekeuze maakt die vandaag mensen nog aanspreekt."
Wil je ook nog iets anders aan het publiek vertellen, buiten de liederen en de filmpjes?
Wim Claeys: “Ik wil ook graag een beeld scheppen van hoe het de mensen of de muzikanten toen en nu verging. Ik ben muzikantenverhalen aan het verzamelen, allerlei zaken die muzikanten overkomen zijn. Ik gebruik deze tijdloze ‘stuuten’ als leidraad die het geheel aan elkaar bindt. Het zijn grappige verhaaltjes o.a. over muzikanten die ergens verkeerd terecht komen, die hun weg verliezen als ze zat zijn…”
Walter, kan je ons iets meer vertellen over het Gentse, en in het bijzonder jouw repertoire?
Walter De Buck: “Met mijn eigen groep speel ik en treed ik al meer dan 40 jaar op. Ik wil vermijden dat mijn groep en dit project concurrentie voor elkaar worden. Wim wil dit programma ook brengen op de Gentse Feesten, en dat ligt voor mij wel delicaat. Als stichter van de Gentse Feesten speel ik daar elk jaar bij de opening of het slot. Wim ziet er geen graten in. Het zal vooral afhangen van hoe de pers erover zal berichten, denk ik. Ik wil geen ruzie met mijn eigen muzikanten.”
“Mijn optredens zijn een combinatie van muziek en conference, waarbij ik mijn eigen nummers breng afgewisseld met het repertoire van mijn grote voorbeeld Karel Waeri, de Gentse volkszanger. Waeri was een figuur die zijn eigen Gentse 'Café Chantants' bracht, in een tijd dat de hele cultuur een Franstalige zaak was. Hij speelde in zijn tijd een enorm belangrijke rol in de ontvoogding van de arbeiders. Op ludieke wijze maakte hij de werkende klasse bewust van de schoonheid en de rijkdom van de volkstaal. En dat in een tijd waarin “de clerus de arbeiders dom wilde houden, en de rijke bourgeoisie hen arm wilde houden”. Dit is een volkswijsheid die ik mijn grootvader vaak hoorde zeggen.
Ik heb jarenlang gesnuisterd in het Gents repertoriumboek, Het Volksleven in het Straatlied, een verzamelboek van Richard Van Kenhove, een inspecteur van het stadsonderwijs, die heel zijn leven heeft gewijd aan het optekenen van Gentse liedjes. Het boek werd uitgegeven kort na de tweede wereldoorlog. Daarin staan liedjes, hun beschrijving, hun ontstaansgeschiedenis. Een ander belangrijke bron, is de uitgave van Karel Waeri’s werk. Omdat ik uit een generatie kom waarin er veel gezongen werd, ken ik ook veel repertoire uit mijn geheugen. Zelfs mijn tussenteksten komen vaak uit de mondelinge overlevering, volkswijsheden en zegswijzen die ik mij herinner van mijn grootvader.
Wims project is anders: hij wil er meerdere mensen bij betrekken, en het focust niet meer alleen op het Gentse dialectlied, ook het Limburgs en het Waas komen erbij. Wim heeft mijn hele repertoire doorpluist, heeft er 3 liedjes uitgekozen, ik heb er eentje van Waeri aan toegevoegd, en ook nog een historisch liedje. Ik ben nu deel van een groter geheel en werk met nieuwe muzikanten samen, en dat is net wat me boeit om het te doen.”
tekst: Elke Clompen foto’s: Paul De Malsche

- login of registreer om te reageren
